Leerlijn per vak

Rekenen en wiskunde

Leerlingen groeien van handelend rekenen naar flexibel rekenen en redeneren in contexten.

Alle SLO-domeinen rekenen & wiskunde
10 · getallen en verhoudingen11 · grootheden en eenheden12 · data13 · patronen en verbanden14 · meetkunde15 · probleemoplossen en algoritmes16 · wiskundetaal en instrumenten17–18 · attitude en toepassingen
Concrete leerdoelen

Praktische uitwerking van SLO Rekenen en wiskunde 10A · 11A · 14A · Bekijk de SLO-bron ↗

1
Hoofddoel · de leerling kan

hoeveelheden tot en met 10 herkennen, vergelijken en tellen.

  • De leerling kan voorwerpen één voor één tellen tot en met 10.
  • De leerling kan twee kleine hoeveelheden vergelijken: meer, minder of evenveel.
  • De leerling kan een hoeveelheid herkennen zonder alles opnieuw te tellen.

Voorbeeld · de leerling kanBijvoorbeeld: de leerling ziet zonder opnieuw te tellen dat 5 blokjes meer zijn dan 3 blokjes.

2
Hoofddoel · de leerling kan

getallen en hoeveelheden koppelen in spel- en handelingssituaties.

  • De leerling kan het cijfer 1 tot en met 10 koppelen aan de juiste hoeveelheid.
  • De leerling kan een hoeveelheid verdelen in twee groepjes.
  • De leerling kan vertellen hoeveel erbij komen of eraf gaan in een speelsituatie.

Voorbeeld · de leerling kanBijvoorbeeld: de leerling legt bij het cijfer 4 precies vier knopen neer.

3
Hoofddoel · de leerling kan

eenvoudige patronen herkennen, voortzetten en uitleggen.

  • De leerling kan een eenvoudig herhalend patroon voortzetten.
  • De leerling kan voorwerpen sorteren op één zichtbaar kenmerk.
  • De leerling kan een volgorde leggen van klein naar groot of kort naar lang.

Voorbeeld · de leerling kanBijvoorbeeld: de leerling maakt de reeks rood-blauw-rood-blauw verder af.

4
Hoofddoel · de leerling kan

begrippen over ruimte, tijd en meten gebruiken in dagelijkse situaties.

  • De leerling kan plaatswoorden gebruiken, zoals voor, achter, boven en onder.
  • De leerling kan gebeurtenissen in de goede tijdsvolgorde zetten.
  • De leerling kan vergelijken met woorden als langer, korter, zwaarder en lichter.

Voorbeeld · de leerling kanBijvoorbeeld: de leerling gebruikt woorden als ‘onder’, ‘naast’, ‘morgen’ en ‘zwaarder’ in spel.