Hoofddoel · de leerling kan
de eigen omgeving onderzoeken met zintuigen.
- De leerling kan benoemen wat hij of zij ziet, hoort, ruikt of voelt.
- De leerling kan een voorwerp of dier uit de omgeving beschrijven.
Voorbeeld · de leerling kanBijvoorbeeld: een kind kijkt naar slakken op het schoolplein en vertelt wat het ziet.